Carnaty

Carnaty

24/04/17

OF DE MOEILIJKHEID VAN VLEESKLEUR

Heidi de Mare

De zwarten tegen de witten. Waar is de vleeskleurigheid gebleven? Kijken we nog wel? Worden we gedwongen, ook in het alledaagse leven, partij te kiezen voor of tegen een bepaalde kleur? Waarom de door hoogopgeleide ‘zwarten’ opgelegde en door hoogopgeleide ‘witten’ gesanctioneerde kleur-discriminatie evengoed een vorm van racisme is.

Hoe belangrijk iemands uiterlijk is weet ik uit ervaring. Vroeger, toen ik klein was, werd ik door mijn opa Heidiano en Zwarte Raaf genoemd, vermoedelijk door mijn blauwzwarte haar en mijn hoge jukbeenderen. Later in mijn studententijd, tijdens de Molukse treinkapingen, herinner ik me een verhoogde aandacht voor mijn persoon als ik de trein naar mijn ouders nam. In diezelfde jaren zeventig werd ik, en niet mijn vrienden, er door de politie van de Deutsche Bahn, op weg naar Italië, uitgehaald om nagezocht te worden in een dik telefoonboek vol verdachte lieden. Nog enkele jaren geleden werd ik in Brabant aangesproken door iemand die zeker wist dat ik van Portugese afkomst was, terwijl niet lang daarna, in een Amsterdamse tram nabij het Rijksmuseum, een vriendelijke Indonesische mevrouw me vroeg waar [in Indonesië] ik vandaan kwam. En vorig jaar werd me een part time baantje aan de Anton de Kom Universiteit geweigerd omdat ik niet Surinaams was. Dus ja, iemands uiterlijk, iemands vleeskleur doet er in het alledaagse leven toe.

Kleurenblind

Doorgaans zijn er twee reacties op deze omgang met de vleeskleur. Er zijn de mensen die zichzelf kleurenblind noemen, zoals Rob Wijnberg. In zijn artikel uit 2013houdt hij vast aan artikel 1 van de grondwet, waarin juridisch wordt bepaald dat iedereen in Nederland voor de wet gelijk is en ook gelijk behandeld dient te worden. Dat is een fundamenteel artikel waar niemand aan wil tornen. En terecht. Het is een abstract artikel dat een beroep op onze verbeelding doet. Het vraagt mensen zich voor te stellen dat medemensen, hoe verschillend ze er in het alledaagse leven ook uitzien, op een gelijkwaardige manier behandeld worden. Wijnbergs claim getuigt van beschaving, van een opvatting die uitstijgt boven jezelf als individu. Vleeskleur is niets.

De tweede reactie staat daar haaks op: vleeskleur is alles. Woorden als Black Lives Matter, White Privilege, witte suprematie en witte onschuld zijn daarvan de meest recente uitingen. Er zijn mensen, zoals Gloria Wekker, die de alledaagse diversiteit qua vleeskleur ernstig nemen. Wel of geen baan, wel of geen goede woning, wel of geen goede school, wel of geen inkomen en etnische profilering. Botsende ervaringen die, vooral in grootstedelijke gebieden, uitlopen op gesegregeerde wijken, zwarte en witte scholen, groepen die elkaar vermijden of elkaar gewoon niet meer tegenkomen. Wekker heeft gelijk dat deze alledaagse misstanden een fundamenteel onwenselijke zaak vormen. Daarvoor moet inderdaad aandacht worden gevraagd. Het past een beschaving om de eigen cultuur en de eigen geschiedenis tegen het licht te houden en ingeslopen gedrag te bekritiseren.

Toch is het juridisch negeren van huidskleur geen panacee om de door het verschil in vleeskleur opgeroepen problemen in het alledaagse leven te laten verdwijnen of op te lossen. Dat geldt evenmin voor het benadrukken van de huidskleur: de laatste jaren neemt de aandacht voor [het verschil in] vleeskleur toe, tegelijk met een vloed aan heftige reacties én toenemende verwarring. Zo blijkt juridische kleurloosheid die hoogopgeleide ‘witten’ verdedigen goed samen te gaan met het accepteren van de door ‘zwarten’ afgedwongen vleeskleurige diversiteit. Zie wat zich afspeelt aan de UvA of in de journalistiek waar hoogopgeleiden van beide zijden elkaar bestrijden met voor- en tegen argumenten. Van de ene kant betichten ‘zwarten’ de ‘witten’ van bepaalde voorrechten die alleen zij genieten. Van de andere kant eist men dat in ‘witte’ gebruiken zoals het Sinterklaasfeest de ‘zwarte’ vleeskleur geëlimineerd wordt. Vleeskleur blijkt niet alleen een scala aan tegengestelde verwijten en inconsequente eisen op te roepen. Het blijkt ook bij ’zwarten’ gebaseerd te zijn op een zekere kleurenblindheid, zij het anders benoemd en gemotiveerd dan de juridische ‘kleurloosheid’. Wat is de relevantie eigenlijk van vleeskleur en in welke zin? Ik noem vier punten die men zou kunnen overwegen maar die in de discussie tot nog toe nauwelijks een rol spelen.

Vleeskleur en de eerste indruk

Vleeskleur is een van de eerste dingen die je ziet als je iemand tegenkomt. Die visuele indruk dient zich ad hoc aan, voor dat er een bewuste gedachte over is gevormd. In een split second wordt de situatie ingeschat en instinctief besloten wat te doen: ‘fight, flight or freeze’. Het is een reflex, een biologisch mechanisme, een evolutionaire ‘oerdrift’ gericht op het vergroten van de overlevingskans. Het heeft weinig zin om vanuit een morele overtuiging te ontkennen dat vleeskleur wordt gezien. Welke impact vleeskleur heeft, hangt samen met andere visuele aspecten, als gestalte, geslacht, houding, kleding, maar ook met locatie en tijdstip. De mate waarin de visuele gestalte past bij of juist afwijkt van het vertrouwde beeld bepaalt of we iemand in eerste instantie vertrouwen. Iedereen hanteert dergelijke stereotypen, vaststaande beelden op basis van fysieke kenmerken: ze kunnen levensreddend zijn en helpen op een basale wijze de wereld te ordenen – en dat geldt voor alle huidskleuren.